Nieuws

Waar is het Theater?

Waar is het Theater?

- Ellen Walraven

Ik word wakker van een stem die ik niet kan plaatsen. Nasaal. Kortademig. Mateloos irritant. Zoonlief is in mijn bed gekropen. Op zijn iPad dwaalt hij met een van zijn favoriete gamers (Game Meneer) en diens maten in een vierkant Mine Craft-landschap. Ze worden belaagd door creepers en zombies. De reis, het avontuur, het landschap zijn irrelevant; de focus in dit Youtube-filmpje ligt op de ervaring die hyper-emotioneel wordt overgedragen. Hoe impulsiever en directer -en daarmee knullig-amateuristisch-, des te waarachtiger. Ik kan de gedachte niet onderdrukken dat dit misschien een vorm van porno voor kinderen is.

Beleving

In de brievenbus ligt een glossy brochure van Sanadome, een kuuroord. Ik zoek naarstig naar zout- en zwavelbaden, maar ik vind enkel verhalen over feestdagen, private dining, cursussen sieraden maken, bloemschikken en een home decoration herfstworkshop waarbij je voor €39,50 met een trendy herfstkrans naar huis gaat. Net als bij Game Meneer wordt enkel de beleving gecommuniceerd, ditmaal via droevig stemmende side dishes. Het water is volstrekt afwezig. Het onderwerp, het object, is “weg gearrangeerd”.

Veel voorstellingen stellen de ervaringscultuur ter discussie of maken hem driedubbel ervaarbaar. Ze benadrukken het perverse individualisme, de ervaringsmaatschappij waar alles besmet is met ‘a sense of fun’ en ‘the smell of money’ en de sociale media die deze focus versterken en natuurlijk de dopamine die bij dit alles vrijkomt. Ik zie makers ook steeds meer van buiten naar binnen werken. Hun eerste vraag is vaak: Hoe verhoudt mijn wereld zich tot de inhoud, in plaats van andersom, zoals mijn generatie doorgaans deed.

Ervaringsmaatschappij

Wat betekent dat? Kunnen we zeggen dat in onze theaters de voorstelling (als object) steeds meer aan het verdwijnen is ten gunste van de (subjectieve) ervaring? Is het theater ook in de greep van de ervaringsmaatschappij? De ervaringsmaatschappij en de focus op de beleving van het individu is - volgens socioloog Gerhard Schulze (Experience Society 1992)- het gevolg van de overgang van een door het aanbod gedreven, naar een door de vraag gestuurde samenleving.

Tot de Industriële Revolutie in de vorige eeuw bepaalde de vraag de omvang van het aanbod in de Westerse wereld, maar vanaf de jaren 50/60 wordt er niet meer op de maat van de levensbehoeften geproduceerd, maar worden behoeften gecreëerd;in mateloze hoeveelheden. De culturele gevolgen van deze transformatie zijn volgens Schulze nog nauwelijks tot ons bewustzijn doorgedrongen, met name wat dit betekent voor het individu in relatie tot zichzelf. Met meer tijd en meer geld is de mens steeds beter in staat om zijn eigen bestaan vorm te geven. Waar we eerst volledig doelgericht aan het produceren waren voor het eigen overleven, zijn we nu vooral bezig met de vraag hoe we het eigen bestaan vorm kunnen geven - zie ook de eindeloze reeks lifestyle programma’s, blogs en bladen.

Verhouden

Schulze onderscheidt twee fases. In de eerste gaat het vooral om het creëren en ondergaan van de totale ervaring. Consument en producent/leverancier stuwen elkaar op in een ‘ervaringsmarkt’ van steeds meer, steeds anders, steeds unieker etc.. Daarna steken gevoelens van inertie, verveling, walging en overprikkeling de kop op.

Volgens Schulze, maar ook volgens de Pools-Britse denker Zygmunt Bauman - die onderzoek deed naar identiteitscrises in de moderne samenleving, de Holocaust, consumentengedrag en de globalisering - is het individu een doodlopende weg ingeslagen met zijn volledig op zichzelf gerichte perspectief. De enige juiste afslag die we  nu kunnen nemen is om ons weer te gaan verhouden tot een wereld buiten onszelf.

Grote en Kleine dramaturgie

Dit ‘verhouden’ zou je in de woorden van de in 2013 overleden en toonaangevende Belgische dramaturge Marianne van Kerkhoven ‘de grote dramaturgie’ kunnen noemen. Anders dan de kleine dramaturgie, gaat deze verder dan het veld en de kaders die in en om een productie liggen, maar omvat ze hoe de productie zich verhoudt tot het theater, de stad en de wereld, en zelfs tot ‘de hemel met al z’n sterren’. Zij schreef dat deze dimensies, deze kringen, met elkaar verbonden zijn door ‘wanden van huid’: ‘Ze hebben poriën. Ze ademen.’

Deze wanden zijn op verschillende manieren te interpreteren. Het kunnen de toeschouwers zijn, die geladen met esthetische ervaringen de werelden daarbuiten van zuurstof voorzien. Ook denkbaar is dat ze een verlangen uitdrukken naar kunstenaars die een andere verhouding zoeken met hun publiek, en nieuwe vormen van gesprek of beweging verkennen. Maar het kunnen ook de (reële en metaforische) muren zijn van de instituten. Zo bekeken is Van Kerkhovens grote dramaturgie een oproep: zet alles op alles te om de eigen wanden poreuzer te maken waardoor alle inhoudelijke stoffen sneller door het membraam naar buiten worden getransporteerd; of omgekeerd: zorg dat de inhoud van buiten snel naar het binnenste van de verbeelding wordt gebracht.

Gechargeerd zou je kunnen zeggen dat het in de kleine dramaturgie gaat om: Wat is het theater? De grote dramaturgie zoekt een antwoord op de vraag: Waar is het theater?

Waar is het theater?

Precies deze laatste vraag draag ik nu een al een poosje met me mee. En wel sinds Rutger Wolfson, voormalig directeur van het International Film Festival Rotterdam, een prachtig essay in de Groene Amsterdammer schreef ter gelegenheid van zijn laatste festivaleditie. Zijn prangende vraag - Waar is de film? - vloeit in eerste instantie voort uit het feit dat werkelijkheid en film steeds meer in elkaar overlopen. Zijn eerste conclusie luidt dat de film zich in ons hoofd bevindt. Tegelijkertijd neemt hij met dat antwoord geen genoegen en verkent hij de vraag verder: Waar zou de film nog méér kunnen zijn? Als de ons omringende werkelijkheid vol schermen hangt, kan de film dan niet een veel steviger rol spelen in de maatschappij? Kan film een zodanige impact hebben dat zij zich verbindt met beoogde veranderingen in een samenleving en deze mogelijk maakt? Ja dan kan: zie de filmstroming in de jaren ’60, de Nouvelle Vague. De door kunst en maatschappij gewenste veranderingen gingen gelijk met elkaar op en versterkten elkaar.

Waar is het theater? De urgentie van die vraag is groot. En net als bij de Nouvelle Vague in de jaren ’60 is er verzet tegen de conservatieve tradities in de theaterkunst. Verzet tegen de geprivilegieerde plek en de gestolde rituelen van de theaters en schouwburgen. We zijn ons inmiddels bewust van de invloed van ‘de’ schouwburg op de inhoud van het werk. Dit debat is al geruime tijd aan de gang. Zie de opkomst van het locatietheater en de discussies over de grote zaal die door de nieuwste generaties makers eerder als obstakel dan als hulpstuk voor hun inhoud wordt gezien.

Op het spel

Het is dus noodzakelijk om samen na te denken over de situatie die een kunstwerk creëert en hoe daarbinnen de toeschouwers zijn geplaatst. En daarvoor nieuwe voorstellen te doen. Waarbij we ons steeds weer af moeten vragen welke waarden, conventies, ideologieën en betekenissen daarin zijn vervat. Net als een acteur moet een instituut als een schouwburg, een gezelschap of een productiehuis zich telkens ‘op het spel zetten’.

Een inspirerend voorbeeld is Tate Modern in Londen. Toenmalig directeur Chris Dercon stelde aan theatermaker Tim Etchells (Forced Entertainment) de vraag wat een Musée de la danse zou kunnen zijn. Etchells schreef zijn droom op. Een fragment:

Entering Musée de la danse you can shift from sober, not sceptical but certainly reserved, passing in and through so many waves, encounters and conversations. Taking this route you can exit exhausted but buoyed up, aware of the dancing museum not only as an energetic disruption but also as a re-proposition about how the institution of the museum might be re-thought, remade through dance and (more than that even) a kind of proposal-in-action about how we might be in the world together differently, how we might rethink the way we think and act together, in relation to each other, objects, spaces and their potential. Not to museumify dance. But to dance the museum. Not to change dance. But to dance change. A small revolution.”

Hervormen

Dit is de achterliggende gedachte van Theater Rotterdam: hoe kunnen we het theater ‘her-vormen’ of misschien wel ‘her-stellen’ in de zin van het opnieuw positioneren als een publiek en politiek urgente plek? Hoe maken we van een avondje uit, een avondje aan?

En hoe kunnen we Theater Rotterdam tot een baken maken dat een mate van veiligheid garandeert waarbinnen men zichzelf op het spel durft te zetten. We zijn immers op zoek naar de echte ontmoeting, of zoals David Lan, directeur van de Young Vic in Londen het noemt: de real conversation. Een ontmoeting waarbij iets op het spel staat, waarin je je aangesproken en herkend voelt, en je wordt uitgedaagd een sprong in het duister te maken. Waarin je het hier & nu - de essentie van theater - tot in diepst van je vezels ervaart.

'Real conversation'

Vanuit die noodzakelijkheid en verlangde dynamiek toont Theater Rotterdam niet alleen werk van theatermakers die met voorstellingen van topkwaliteit het publiek uitdagen, maar werkt het met een ensemble van makers en leidt het de nieuwste generatie makers op. Kunstenaars die op volstrekt eigenzinnige wijze een ‘small revolution’ teweeg willen brengen, niet alleen vanuit de inhoud van hun werk, maar vanuit de grote dramaturgie: Hoe moet het theater zich organiseren? Hoe kunnen we met elkaar als samenleving tot de ‘real conversation’ komen?

Lotte van den Berg, Boogaerdt/VanderSchoot, Alida Dors, Marjolijn van Heemstra, Davy Pieters, Schwalbe, Johan Simons, Ann Van den Broek, Urland, Wunderbaum en Erik Whien zetten de komende jaren zichzelf, ons, elkaar, het publiek, het theater en de stad op het spel; met daarnaast Pieter Kramer en diens familievoorstellingen als vaste waarde.

Onze makers

Hun oeuvres verschillen enorm, en ook hun mens- en wereldbeeld: ze zijn immers afkomstig uit zeer verschillende generaties en (inter)nationale theatertradities. Het denken in mogelijkheden, in plaats van in vaste waarden, is wat hen bindt. Radicaliteit is hun handelsmerk. Ze durven te botsen, met elkaar en met de wereld. Dat is ook de match met deze stad: Rotterdam is het product van stevig botsen.

Door het produceren, presenteren en het opleiden van talent in één powerhouse onder te brengen, wil Theater Rotterdam zuurstof in een gestold theaterbestel te krijgen, nieuw publiek in de zalen en aansluiting vinden bij de grootstedelijke dynamiek.

De toestemming om dit te durven doorzetten kreeg we van fysicus Robbert Dijkgraaf. Hij gaf ons daar de woorden voor in zijn inmiddels vaak geciteerde Paradisolezing. Hij schetste hoe grotere instituties luwte kunnen creëren voor onderzoek:

“Tijdens de industrialisatie van de 19e eeuw nam de wetenschap een andere weg en bouwde een imposante infrastructuur van universiteiten, laboratoria en academies, die het belang van onderzoek beschermen en uitdragen. Deze gesloten schil van instituties schept juist de open ruimte om vrij te denken en diep te graven. Het stelt de wetenschap in staat vele maatschappelijke rollen te spelen zonder intellectuele samenhang te verliezen.”

Onze locaties

De universiteit is de schouwburg, het laboratorium ons makershuis in TR Witte de With, en de academie natuurlijk Productiehuis Theater Rotterdam. De positionering van onze locaties is essentieel. Zowel TR Rotterdamse Schouwburg als TR Witte de With aan de William Boothlaan vormen een baken.

In TR Witte de With zoomen we in op de makers, in de Rotterdamse Schouwburg zoomen we uit op de stad. Op beide locaties repeteren we. In TR Witte de With repeteren we onze voorstellingen. In TR Rotterdamse Schouwburg gaan we ook samen spelen, afstemmen en interpreteren, en meer nog: ons oefenen in samenleven. Zo zal de hal geleidelijk transformeren tot stadsfoyer, een open plek waar wij met andere Rotterdammers verantwoordelijkheid nemen voor zaken die hen en ons met elkaar verbinden.  

Transitie, delen, de noodzaak van ‘nieuwe speelvelden’ dat is waar Theater Rotterdam over gaat, in Rotterdam en in andere wereldsteden. “Elke dag staat er iets op het spel” **), dat is het credo.

* herwerking van essay in Theatermaker december 2015

** Find me a boring stone, Rik van den Bos

Foto's: Willem de Kam

Selecteer een van de filters en klik op 'Toepassen' om het resultaat te zien